een droomnest voor duiven

Zo zitten we uren langs het water. We klimmen op één van de oude kranen waar je eigenlijk niet op mag. Prachtige houten kranen zijn dat, met binnenin een droomnest voor duiven. We zaten er in de zomer, als de laatste hitte met de zon verdween en genoten van de zonsondergangen. Nu zitten we er in het donker in de vrieskou. We praten over de liefde en drinken Amaretto. Ik leer je vooral daar kennen, op de kraan aan het water. We kruipen dicht tegen elkaar en kijken naar de prachtige boten die voorbij varen. En we vertellen aan elkaar wie we zijn en wie we niet zijn en waarom. We weten vaak niet waarom.

Jij hebt vaak geen woorden en ik heb er veel te veel. Alleen als we wijn drinken wordt het anders. Wijn maakt mij traag en stil, wijn doet jou praten.

Het fijnste vind ik jouw gezicht in mijn hand. Ik probeer het vaak, je ganse gezicht te omvatten met mijn hand. Als je gezicht in mijn hand rust, voel ik dat dit het dichtste is dat we kunnen geraken. We willen graag dichter, maar dichter is moeilijk. Dus jouw hoofd in mijn hand doet ook steeds een beetje pijn.

het feest van de wanhoop

(geschreven 05-06-2008)

Er dansen honderden mensen op het decadente feest van de wanhoop. Ze lachen hysterisch en geven zich over aan de spiraal waar ik ze in heb gedropt. De hysterie, de wanhoop en het onvermogen zullen op het einde van het feest exploderen. Want dat vind ik mooi. Ik maak hen ellendig en zielig en zorg dat hun levens nog veel grotere rampen zijn dan het mijne soms is. Ik laat hen schreeuwen dat ze opgeslokt worden door de verschrikkelijke golven van de vervreemding. Ik dirigeer tranen want ik hou van tranen. Het einde: de gigantische kroonluchter zal naar beneden daveren en het mooiste koppel vermorzelen.

en zijn familie

Vooraan loopt de vader met hoed, pijp en wandelstok. Het kleinste meisje draagt een dikke oranje winterjas en treuzelt veel. Kleine jongetjes zeulen met rugzakjes en een paraplu. Ze springen in modder en plassen en hangen af en toe aan mijn hand. Ik draag dan eens een rugzak, dan eens een paraplu, deel bananen en appels uit en soms wandelt mijn lief dicht bij mij. Zijn hand houd ik nog steeds graag vast. Het ruikt zo heerlijk naar pijp en bos en modder en af en toe komt de zon door de bomen piepen. Enkele uren later drinken we warme chocomelk uit bekertjes om warm te worden, en in het Duitse dorpje eten we Apfelkuchen rond een mooie grote houten tafel. ’s Avonds in het warme huis dansen we bij de houtkachel en zingen liedjes voor de jarige die mijn lief is. Als de kindjes op zolder slapen en dromen van boswandelingen en riviertjes, zitten we in pyjama’s met boeken en sigaartjes in de zetel. ’s Morgens klauteren de twee zusjes die ik nooit heb gehad bij mij in het warme bed en verstoppen zich als de moeder hen zoekt. In de warme keuken schuiven we ’s middags aan tafel, eten pompoensoep en boterhammen. De kleintjes klimmen in de boom van de buurman, slingeren tussen de kippen en springen op elkaars schaduw. Mijn lief en ikzelf gaan nog even wandelen tussen de vele velden die zich achter het huis bevinden. Het is een zonnige winterdag, zwijgend praten we en vinden het goed zo.

zie

Zie, mijn ogen zijn dicht als het mooiste voorbijvliegt.

portret

onhandig lach je
praat je en
onhandig raak je aan

maar fier

en je wil soms verdwijnen
onhandig
voorzichtig aarzel je
zo zacht onhandig

maar fier

jij wantrouwt
altijd alert
onhandig scherp
je breekt soms zo echt
zo onhandig

maar fier

naween

soms brandt alles zo en dan weet ik niet wat ik daarmee moet doen.

en ik loop toch steeds weer weg want ik hou niet van ja, het voelt goed als ik verloren loop en ik verlang naar alles wat er nu niet meer is.

en het doet zoveel pijn als ik besef dat ik nog steeds wacht tot je terugkomt. omdat je zei: tot over 3 weken. we waren allemaal zo verdrietig omdat je die belofte niet kon nakomen. maar ik wacht eigenlijk nog steeds. we waren samen bang voor de liefde en ik ben dat nu alleen. mijn tranen werden mooi toen je die beschreef maar mijn tranen om jou zijn altijd lelijk gebleven. niemand heeft ze beschreven. ik droom van je lachend gezicht, je zwaait nog even en dan ontplof je. deed het veel pijn? voor mij deed het zoveel pijn dat ik hard en schreeuwerig werd in plaats van zacht.

als de fles wijn leeg is heb ik altijd zin om de kurk op te eten

Nu ik koffie slurp in plaats van thee ben jij mijn lief geworden. We lagen samen in het hoge gras en het klopte en je hart ook: ik voelde dat en warmte in mijn buik. Ik vraag om herfst en winter omdat ik met jou de winter wil zien zoals ik ze al één keer zag. Daar zal plaats zijn voor een ons dat deze keer de winter wel zal overleven omdat het sterker is. Jij glundert niet alleen met je ogen maar met je hele lichaam. Ik kijk hoe jij glundert en duw daarna mijn gezicht tegen jouw gezicht tot het bijna pijn doet. We moeten niet samen wegvluchten zoals vroeger maar mogen nu ook gewoon blijven. Ik heb genoeg gesparteld en word nu liever stil op het ritme van je ademhaling. Je weet het niet maar je wiegt me en ik ben niet meer bang.

En ik kan geen mooie droevige zinnen meer vormen want ik glimlach zoveel.

wild

Jazzmuziek. Ik ben er niet zo in thuis, maar gisteren op café werd ik wild van de baslijn. De baslijn van live Jazzmuziek is opwindend jandorie.

oliebollen

Ze woonde bij ons in huis maar we wisten niet veel over haar. Ze was een bizar meisje. Wij zaten met de jongens op woensdagavond altijd samen in de keuken te praten, zij kwam meestal pas lang na middernacht thuis en kwam dan bij ons zitten. Eén van de eerste weken kwam ze thuis met maar één schoen aan. We vroegen wat er gebeurd was en dan haalde ze haar schouders op. Na wat doorvragen kwam ze met zo’n vaag verhaal aanzetten. Ze had een steentje in haar schoen, die uitgedaan, het steentje eruit geschud en toen ze haar voet weer in haar schoen wilde steken, was haar schoen verdwenen. We geloofden er niets van en vroegen of ze teveel gedronken had en een deel vergeten was, maar ze was compleet nuchter. Ze zag niet in wat het probleem was met haar verhaal, vond het zelf vanzelfsprekend. En waarom zou ze liegen? Of ze het dan niet bizar vond, dat haar schoen zomaar verdwenen was? Er verdwijnen wel vaker dingen, zei ze dan peinzend en daarmee was het onderwerp afgesloten. De dag nadien droeg ze een ander paar versleten schoenen, die had ze ergens gevonden, zei ze vrolijk. Ze zat vaak bij het groepje van zwervers die zich ’s avonds rond de fontein verzamelden. Ze viel van uitzicht helemaal uit de toom, droeg meestal zwierige jurkjes, zag er steeds heel verzorgd uit en had een echt engelengezichtje. Maar ze werd er geduld en dronk moedig mee Cara Pilsjes. Er deden ook vaak joints de ronde, maar daar zei ze steeds nee tegen. Niet dat ze daar uit principe tegen was, dat was het probleem niet. Het paste gewoon niet bij haar, het stond haar niet. Terwijl ze het zei, keek ze ons aan alsof wij dat natuurlijk allemaal ook meteen gezien hadden. En wij maar knikken, het staat je niet.

Ze nam ons soms mee maar wij vonden er maar niets aan. Zij wurmde zich dan tussen twee kerels en zat heel stilletjes te luisteren naar de zachte gesprekken die gevoerd werden. Soms zat ze ook de hele avond geanimeerd met iemand te praten, meestal een jongen. Daar hield ze van, je zag haar helemaal opleven in zo’n gesprek. Wij zaten er meestal maar een beetje bij, iedereen keek maar wat naar ons en wij wisten niet goed hoe ons te gedragen.

Ze kwam ook een keer helemaal nat thuis. Het was iets met de fontein, maar wat er precies gebeurd was, daar deed ze weer heel vaag over. We waren dat ondertussen al gewoon. Ze droeg een witte zomerjurk met bloemetjes en die was nu een beetje doorzichtig geworden. Haar oranje onderbroek tekende zich af tegen de dunne stof. Wij staarden allemaal een beetje naar haar die avond. Ze zag er zo onbeholpen, onschuldig en lief uit en tegelijk heel aantrekkelijk met haar ronde billen waar haar jurk zo tegenaan plakte. Slierten haar plakten in haar gezicht, ze leek een beetje een verwilderd hert. Zo zei ik het achteraf tegen de andere jongens, zij vonden dat melig. Dan gingen ze me stompen en riepen ze dat ze er gewoon ongelofelijk sexy uitzag en dat ik dat niet weer zo moest verbloemen. We gingen haar vanaf die avond anders bekijken, dat was zeker. Na een week bekenden wij, de jongens, alledrie verliefd op haar geworden te zijn. De andere twee waren niet echt verliefd vond ik. Alleen ik was echt verliefd, zo besliste ik.

Elke ochtend deed ze bloos op, zo noemde ze dat. Zodat ze de hele dag onweerstaanbaar kon blozen. Soms rookte ze een sigaret omdat ze vond dat de lucht daarna zoveel frisser leek. Ze hield ongelofelijk van kermissen en schuimde het hele land af zodat ze bijna elk weekend ergens, zelfs in de kleinste boerengaten, kon genieten van haar kermis. Ze deed dit steeds in haar eentje. Heel af en toe sleurde ze één van ons mee, maar ik denk dat ze het sowieso liever alleen deed, omdat wij hier toch zelden enthousiast voor te krijgen waren. ‘s Avonds kwam ze dan opgewonden en uiteraard blozend thuis en kon ze niet ophouden met praten. Ik had een hekel aan kermis, maar op zo’n moment hing ik aan haar lippen. Ik moest ook een keertje met haar mee. Als ze besliste dat je mee ‘mocht’ had je weinig keus, je was uitverkoren en zou je heilige taak zonder morren vervullen, zo hoorde dat. Ze wilde alle cliché dingen doen die er te vinden zijn op een kermis. Van botsauto’s rijden tot oliebollen eten. Terwijl ze het poeder van een grote oliebol in mijn gezicht blies, staarde ik naar de mensen. Ik durfde nooit te lang naar haar kijken omdat ik haar dan zou gaan kussen, dat wist ik zeker. Ze kuste me wel eens op de mond, maar dat deed ze ook met de andere jongens. We waren alledrie overtuigd dat ze ook een oogje op ons had, die indruk gaf ze ons gewoon alledrie. Die indruk gaf ze elke jongen. Studeren leek ze nooit te doen, ze was niet vaak thuis en leek overal maar wat rond te fladderen. Ze kwam nooit met een jongen naar huis, maar moet wel vriendjes gehad hebben in die twee jaren dat ze bij ons woonde. Het was vaak al ochtend als ze thuis kwam, dan liep ik haar bijna omver in de deuropening omdat ik dan, te laat zoals gewoonlijk, naar de les stormde. Ze had dan vaak zo’n schittering in haar ogen en mompelde dan iets over een fijne nacht. Groen van jaloezie zat ik even later druk te noteren in de aula.

Op een woensdagnacht zat ik alleen in de keuken. De andere twee jongens waren niet thuis die avond en ik zat in mijn eentje op haar thuiskomst te wachten. Het werd laat en ik viel in slaap aan de keukentafel. Ik werd enkele uren later wakker van een hand in mijn nek. Ze zat naast me en staarde me met glazige ogen aan. Ze had te veel gedronken. Ik grapte of dat door de Cara Pilsjes kwam, maar zij schudde heel serieus haar hoofd. Ze werd altijd heel rustig en ernstig van alcohol. Ze bleef maar naar me turen en probeerde oogcontact te maken. Je kijkt me nooit echt aan, zei ze. Dat is jammer. Toen keek ik haar wel aan en we kusten, lang en intens. Ik maakte me geen illusies maar het was heerlijk. Ze kwam tegen me aanleunen en legde mijn hand op haar borst. Je moet me helemaal openvouwen, zei ze. Maar wel voorzichtig. We vreeën die nacht en ik zag in glimpen het verwilderd hert terug. ’s Morgens was ze natuurlijk verdwenen maar er lag een briefje. Ik moet naar de kermis. Ik zal een grote beer voor je schieten. ’s Avonds had ze een grote, roze beer voor me mee en ze plantte een zachte kus op mijn mond toen ze hem mij overhandigde. Ik vond de beer vreselijk maar gaf hem toch een plaatsje in mijn kamer. Ze gaf ons vaak geschenkjes en kwam nadien steeds controleren of we ze wel gebruikten en niet weggooiden. Alsof ze wist dat het eigenlijk waardeloze troep was. Ze hield van waardeloze troep, haar kamer stond er vol mee.

Tussen ons bleef het na die nacht als vanouds. Ik had niets anders verwacht dus was niet teleurgesteld. Ik vond het wel steeds moeilijker haar met andere jongens te zien, en op het eind zelfs gewoon met haar in een kamer te zijn en te weten dat ze van iedereen en van niemand was. Op het einde van het jaar besliste ik te verhuizen, ik hoopte dat ik dan wat tot rust kon komen en haar uit mijn hoofd zetten. Toen ik vertrok, huilde ze een beetje. Ze gebood me ik moest langskomen en zei dat ik haar nooit mocht vergeten. Alsof iemand haar ooit kon vergeten. Ze leek een beetje verloren, maar dat beeldde ik me vast in. Ze had een envelop gemaakt en gaf die met me mee. Er zaten gedichten in die ze uit verschillende boekjes had gescheurd. Gewone, platte, melige rijmpjes over de liefde, daar hield ze van. Ze had er iets bijgekrabbeld, in haar kinderlijk handschrift. Die nacht met jou was echt fijn, een beetje zoals een dagje kermis. Zorg volgende keer maar voor oliebollen achteraf.

« Oudere berichten