Want wat is een mens anders meer dan een kind
van twee mensen
die het nooit beter zullen kennen
dan toen het begon te bestaan
en daarna steeds minder

Want wat is een mens anders meer dan een vreemde
die niet weet dat hij is
door niemand gekend

Want wat is leven anders meer dan verlangen
om te kennen en gekend te worden
dat geloven af en toe
en toch beseffen
dat het nooit méér zal zijn
dan toen je begon te bestaan

Toen waren mijn dromen groot. Te groot soms waardoor ik hen enkel kon dromen en het najagen ervan voor een ander leven was bedoeld.
Toen lag ik wakker tijdens de nachten. Omdat ze altijd over iemand gingen die me van mijn slaap beroofde, die me deed schrijven, die me onrustig maakte en die nooit bleef.
Toen keek ik niet vooruit. Dat hoefde niet en ik vond het heerlijk. Ik dacht graag terug aan de helden die mijn paden hadden doorkruist en terugdenken was voldoende.

Ik mis het, de tijd dat ik nog schreef. Want alles is nu anders en het was onvermijdelijk.
Mijn dromen zijn kleiner, uitvoerbaar en worden één voor één realiteit.
Ik slaap, omdat iemand kwam waarvoor ik niet wakker moet liggen, want hij bleef.
Ik kijk vooruit, omdat dat moet. We moeten plannen, we moeten klein dromen, we moeten realiseren en het lukt ons aardig goed.

Ik mis het, en toch is dit goed, eigenlijk zelfs zoveel beter. Samen klein dromen, samen slapen (ik in de holte van zijn oksel), en samen plannen, dit is eigenlijk zoveel méér leven, dan het alleen maar dromen, alleen maar denken, alleen maar schrijven.

Toch mis ik het soms

voor jou, omdat het meer dan genoeg is nu jij samen met mij hier kwam wonen

(kijk ook eens hier)

Lotte van Dijck – Genoeg

zul je me horen
nu ik je wil verstaan
zul je me zien
nu ik met je mee wil gaan
zul je me laten
als ik je daarom vraag
zul je me haten
als ik je niet verdraag

kom bij me wonen
in dit te kleine huis
voel je in al mijn
kleine geheimen thuis
kom me verjagen
uit wat ik missen kan
en stel me de vragen
die ik verdragen kan

voel je geborgen
in dit nog warme bed
ik heb je gevonden
en alles stilgezet

laat me verdrinken
als ik niet zwemmen wil
en laat me geven
al is het veel te veel

geef
om het geven
maar neem ook
genoeg

kom bij me wonen
in dit te kleine huis
voel je in al mijn
kleine geheimen thuis
kom me verjagen
uit wat ik missen kan
en stel me de vragen
die ik verdragen kan

Nu jij geweest bent. Ze zeggen dat zo in films en gedichten: dat zoenen troosten. Je zoenen doen dat. En nu je allang weer wegbent drukken ze nog wat na, zacht. Nu ik alleen ben met je zoenen fluisteren ze. Ze weten precies waar en waarom en zo zacht. Je vingers kalmeren nu wanneer ze glijden, zacht knijpen en eeuwig blijven nastrelen. Je buik ligt nog ergens op mijn bed net binnen handbereik en gaat traag op en neer. Je navel stopte met zingen maar bromt nog wat na en pluist voorzichtig zoals bloesems in de lente. Voorzichtig mag je ook alweer terugkomen eigenlijk, zoals de bloesems in de lente.

Jij bent het die de onrust uit mijn leven joeg (- en door wie ik soms zo onrustig word).
Jij die de plooien glad streek ( – maar ook voor nieuwe plooien zorgde).
Jij gaf me geen reden meer voor verdriet (- maar door en met jou vloeiden ondertussen al heel wat tranen).
Jij gaf me zekerheid en bracht mijn nerveuze hart van toen tot bedaren (- en maakt me soms onzeker zonder dat je dat wil).

Wees niet verdrietig als ik soms iets anders lijk te willen. Wees niet bang als ik soms droom van beter, want dat betekent niet dat het nu niet goed is. Wees niet onzeker als ik vergeet hoe goed het is, hier, vandaag, met jou.

Jij bewijst elke dag weer hoe goed het is, en dat het niet nodig is. Jij, die de onrust uit mijn leven joeg en de plooien gladstreek.

Jij bent het die mij begint te zien. De eerste die zolang keek, zo graag keek.
Kijk maar. Het leven is goed
als jij me ziet.

Lientje was een week daarvoor 6 jaar geworden. Haar tante – waar Lientje soms schrik van had omdat zij veel tandvlees en weinig tanden toonde wanneer zij lachte – wilde haar graag meenemen naar het circus. Ze vond het zielig dat Lientjes broer zoveel ouder was en ze dus nooit broertjes of zusjes had om mee te spelen. Lientje zette haar angst opzij, want teveel tandvlees of niet, zo’n circus wilde ze toch absoluut niet missen.

Met grote ogen en open mond wandelde Lientje aan tantes hand de reusachtige tent binnen. Ze gingen halverwege op een gammel bankje zitten en Lientje mocht op tantes schoot want voor haar zat een grote, dikke man met een tattoo van een slang in zijn nek. Lientje wou liever echte slangen zien. Tante en de man bleken elkaar te kennen en de man leunde achterover om met tante te praten. Lientje werd een beetje bang toen de man bulderend begon te lachen waardoor de slang op zijn nek tot leven leek te komen. Ze drukte haar hoofd tegen tantes schouder maar ook tante begon te giechelen waarbij Lientje al dat tandvlees vlak voor haar gezicht zag verschijnen en weer verdwijnen. Lientje kon geen kant uit. Gelukkig werd het toen ineens stil en donker in de zaal. Er kwam een klein mannetje met een krulsnor naar het midden van de tent gewandeld. (Lientje vroeg thuis of ze later ook zo’n snor mocht, maar dat kon niet zei haar mama.) Oh, wat Lientje toen allemaal te zien kreeg! Veel mensen, allemaal in gekke pakjes; de ene slingerde aan een touw door de tent, de andere haalde konijnen uit zijn hoed en broekspijpen en de clowns waren veel grappiger dan nonkel Rudy. Wat genoot Lientje, ze was de slang voor zich en tantes tandvlees op slag vergeten.

En toen kwam de laatste act, het was iets met een reusachtig monster met klauwen en scherpe tanden, dat zei de man met de gekke snor. Een beetje angstig keek Lientje naar tante, maar die zat dromerig naar de slangenman voor haar te staren. Lientje werd al snel gerustgesteld toen het om een gewone leeuw in een kooi bleek te gaan. Leeuwen had ze al zo vaak gezien: in haar kleurboek, in de zoo en op televisie. Neen, van een leeuw was Lientje niet bang. Maar toen trok iets anders Lientjes aandacht. De man met de zweep die naast de kooi stond, dat was de leeuwentemmer. Lientje keek verstomd naar de man: wat was hij mooi! Hij leek een beetje op haar grote broer Karel, maar zijn gezicht was veel bruiner. Hij droeg de mooiste paarse broek die Lientje ooit gezien had. En als hij lachte, oh wat werd ze daar blij van, zijn hele gezicht lachte mee, zijn tanden waren mooi wit en blonken en ze voelde zijn ogen stralen tot bij haar bankje halverwege de tent. Lientje giechelde van plezier en trappelde met haar voeten tegen tantes benen van opwinding. Maar zelfs dat merkte tante niet, haar gedachten waren helemaal bij de man met de slang, die het zelf ook niet kon laten af en toe achter zich te kijken.

De leeuwentemmer zei iets in een taal die zij niet begreep, en de kleine meneer riep dat er iemand uit het publiek tot bij de leeuwentemmer mocht komen. Iemand die moedig en sterk was. Lientje wist dat dit alles was wat ze wilde, ze wilde dicht bij de leeuwentemmer zijn en dan moest hij nog eens lachen zoals daarnet. Ze strekte zich helemaal uit op tantes schoot en stak haar vinger zo ver mogelijk in de lucht. Ze gilde:’Ik wil!’ Ach, niemand die haar opmerkte. Een grote man werd uitgekozen en die moest eigenlijk alleen maar de deur van de kooi openhouden. De leeuwentemmer zelf, met zijn prachtige broek, kroop in de kooi en na wat tromgeroffel hield hij zijn hoofd tussen de tanden in de wijd opengesperde bek van de leeuw. Het publiek hield zijn adem in, maar Lientje vond er maar niets aan. Leeuwen waren lieve dieren, dat wist ze van haar prentenboek en van de film ‘De Leeuwenkoning’. De show was nu bijna gedaan maar Lientje lette niet meer op. Ze was boos en moest vechten om haar tranen tegen te houden, waarom had de leeuwentemmer haar er niet uitgekozen? Hij had haar vast niet gezien door de slangenman die voor haar zat. Als hij haar gezien zou hebben had hij haar zeker naar voren laten komen! Die gedachte troostte haar en ze besloot zelf te zorgen dat ze de leeuwentemmer nog eens van dicht zou zien.

Toen de show voorbij was en iedereen zich klaar maakte om te vertrekken, glipte Lientje van tantes schoot en rende helemaal naar voor. Tante merkte het niet eens, die was weer met de man aan het praten en beiden lachten te luid. Er was niemand meer te zien op de plaats waar de leeuwenkooi had gestaan. De man met de snor was als laatste tussen de tentzeilen verdwenen, en voor hem de leeuwentemmer. Lientje wist dus waar ze naartoe moest. Ze kroop tussen de tentzeilen en kwam in een kleinere tent terecht waar ze zag hoe de artiesten zich uitkleedden, hun schmink afveegden en hun spullen bijeen zochten. Ze zagen er plots allemaal zo gewoon uit. Behalve de leeuwentemmer: plots zag ze hem staan. Hij droeg nog steeds zijn zachte paarse broek en stond in zijn eentje een knoop aan zijn jasje te naaien. Hij zag er prachtig uit. Niemand had haar tot nu toe opgemerkt dus ze kon ongestoord naar hem toe rennen. Ze tikte op zijn arm en keek vol verwachting naar boven. Verbaasd keek hij haar aan, hij wist niet wie dit meisje was en vroeg zich af wat ze hier deed. ‘Ik wil met jou trouwen!’ zei ze heel dapper. Vragend maar vriendelijk keek de man haar aan: ‘Qué?’ Hij boog zich voorover, Lientje kon hem ruiken. Hij rook lekker naar appeltjes, naar de shampoo die Karel ook gebruikte. ‘Je ruikt zoals mijn grote broer. Hij geeft les op mijn school, volgend jaar is hij mijn meester!’ De man lachte onbegrijpend. Lientje zag hem nu toch van dichtbij lachen, wat was hij mooi. Ze zou met deze man trouwen, dat had ze geweten van het eerste moment dat ze hem zag.

Op dat moment kwam haar tante de kleine tent binnengestormd. ‘Hier ben je! Wat ben je toch een onmogelijk kind, zomaar wegsluipen terwijl ik even met die vriendelijk man aan het praten was. Excuseert u me meneer! Hopelijk viel ze u niet lastig?’ Ze wachtte geen antwoord af, greep Lientje bij de arm en trok haar terug naar de grote tent die ondertussen helemaal leeggelopen was. Lientje zag nog hoe de leeuwentemmer lachte en zwaaide en toen zag ze hem niet meer. Tante mopperde nog na: ‘En ik had nog wel zo’n fijn gesprek met Bruno, nu is hij natuurlijk al naar huis gegaan.’ De hele terugrit huilde Lientje, ze stikte bijna in haar tranen. Wat had zij een verdriet. Tante, die zich nu wel wat schuldig voelde, troostte haar en beloofde dat ze volgend jaar terug zouden gaan. Lientje droomde het hele jaar van haar leeuwentemmer, ze tekende hem wel honderd keer en telde af tot haar 7de verjaardag.

De leeuwentemmer was een kleine, bleke man met putten in zijn wangen en een dikke neus. Zijn broek was groen en lelijk en hij keek met opengesperde ogen het publiek in. Geen enkele keer lachte hij en Lientje stak haar vinger niet op om naar voren te gaan. Ze wist het toen zeker, ze zou haar leeuwentemmer nooit meer terug zien.

Later, toen ze ouder was, werd ze nog vele malen verliefd. Halsoverkop. En ze had nog vele malen liefdesverdriet. Maar nooit meer was het zoals die allereerste keer met de leeuwentemmer. Haar leeuwentemmer die naar appeltjes rook.

Het is hier zo stil tegenwoordig dat ik de stilte amper zelf durf te verbreken. En het is al net zo stil op de (meeste) blogs die in mijn blogroll prijken. Hoe zou dat komen? Was bloggen een hype die nu min of meer uitgehypet is? Of was er iets met de stand van de maan en de sterren wat creativiteit veroorzaakte bij de gehele mensheid en is dat nu veranderd? Of is het helemaal toevallig?

En wat ik eigenlijk vooral wil weten: komt hier ooit nog iemand? Wacht hier nog iemand op iets nieuws? Als dat zo zou zijn, krijg ik misschien wel weer zin wat gedachten neer te schrijven en te delen met u. Indien niet moet ik mijn blogtijdperk misschien voorgoed afsluiten.

Als u een mening heeft, reageert u dan?

en ook een héél mooi lied maar ik vind het nergens op joetjoeb

Herman Van Veen (die man is een held, werkelijk) – Ik wou

Ik wou dat ik dat had
dat buiten alle tijd staan soms van jou
een mens van heel ver terug zijn, of de vrouw
van lang nadat jij zelf bent gestorven
dat eeuwig zijn, dat verre, dat nabije
ik wou dat ik dat had

Dat rustige terwijl je ligt te vrijen
dat aardse hemelrijk tussen je dijen
ik wou dat ik dat had
dat lachen van je en dat luisteren
dat tegen wie er aan je borst ligt fluisteren
dat juichen bij een waterende zon
ik wou dat ik dat kon

Als ik het in me had
dat als een kerel fietsen door de wind
met voor- en achterop het kleine kind
van kort nadat jij zelf bent gestorven
dat machtige, dat dappere, dat zachte
als ik het in mij had

Dat nuttig zijn terwijl je zit te wachten
vrijgevig zijn met elk van je gedachten
ik wou dat ik dat kon
Dat zomaar negen maanden lopen groeien
je zonder schaamte met je binnenkant bemoeien
ik wou dat ik dat kon

Als ik het in me had
dat felle van een ritselende struik
dat leven dat blijft leven in je buik
dat leven als je even bent gestorven
dat opstaan, weer dat rennen en dat wiegen
als ik het in mij had

Dat stralende terwijl je staat te liegen
dat je een man wilt zijn en mij dan zou bedriegen
ik wou dat ik dat kon.

‘s avonds zijn mensen milder

mag ik gewoon
een beetje schoon
voor boven op mijn kast

mag ik gewoon
een beetje schoon
voor ’s avonds op de tast

een schelleke van uw zachte buik
een stukske oor of een brokske arm
het maakt mij eigenlijk niet zoveel uit
als het maar van u is: schoon en warm

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.