Toen

En toen was ik altijd zo jaloers op de juf omdat zij lippenstift mocht dragen en ik niet. En ik was getrouwd met Niels en hij wilde altijd een stuk van mijn koek anders zou hij van me scheiden. En we moesten het weesgegroetje opzeggen, en ik deed niet mee en toen moest ik het eens helemaal alleen doen van de nonnekes voor heel de kleuterschool en toen was ik bang dat God boos op me was. En we zwaaiden altijd naar de rook als we een het kaarsje uitbliezen en ik vroeg me dan af waar die rook allemaal naartoe ging en of ik niet mee mocht. En ik kreeg nooit de knuffelbeer mee naar huis en Céline altijd en dat was helemaal niet eerlijk van de juf. En toen beet ik op een balpen en die ging kapot en heel mijn mond was in inkt en toen kreeg ik de koek van de juf om de vieze smaak uit mijn mond weg te doen, en iedereen was jaloers. En Nikolas vertelde aan iedereen dat wij zouden trouwen en een bloemenwinkel zouden openhouden. En ik was zo bang alleen ’s nachts in mijn bed. En mijn kleine broertjes kwamen voor het eerst naar de kleuterschool en huilden en toen huilde ik ook omdat ik het zo triestig voor hen vond, en dan waren de jufs kwaad omdat ik hen moest troosten. En ik klom in een veel te hoge boom en papa moest mij er met de ladder komen uithalen. En toen was het frietjesfeest en ik vroeg mayonaise omdat ik wilde stoer doen tegen Siemen maar ik lustte helemaal geen mayonaise en toen waren mijn frietjes ook niet meer lekker. En samen met Eline maakten we vergif voor Sammy omdat we hem niet leuk vonden. En ik wilde blinkschoentjes omdat Céline die ook had maar dat mocht niet van mama en toen maakte ik altijd ruzie in de winkel maar mama was onverbiddelijk. En dan was het kabouterfeest en moesten we in pyjama naar school met een kussen eronder en een muts op ons hoofd, maar dat vond ik niet fijn omdat kabouters jongens waren en ik was een meisje. En ik ging altijd bij Lomme in de tuin spelen en dan waren we koning en koningin. En Harm was onze dienaar en iedere keer als we een zoentje gaven kregen we een snoepje van Harm. En toen kwamen de meisjes van de buren ook kijken: kijk eens wat wij durven. Zoen.

zeg het met Toon Hermans

Dicht bij jou

ik dicht bij jou
een vers
nee, nee,
gewoon:
ik dicht bij jou

en als alles groen wordt

Alles wordt groen. Haar raam staat open, ze hoort vogels fluiten, ziet de prachtig bloeiende kastanje staan. Enkele uren geleden zat ze nog in de zon. Rok wat naar boven gestroopt om haar witte benen met wat warme zon te verwelkomen. Ze had haar gezicht ook naar de zon gericht, heerlijk die zonnestralen die langs haar neus kietelden. Net had ze nog in de spiegel gekeken en haar gezicht was weer bezaaid met kleine zomersproetjes, een lachje was haar ontsnapt. Ze dacht terug aan toen ze ’n klein meisje was en papa zong van zomersproetjes en ieder sproetje is een kusje waard. Wat was ze toen altijd trots op die sproetjes, want papa zei ook dat ze zo’n mooie meid was met al haar sproetjes, en papa had altijd gelijk. Ze herinnerde zich hoe ze toen in haar rooie plooirokje vele toertjes ronddraaide door het huis en de tuin. Rood was haar lievelingskleur, en als ze zo ronddraaide waaierde heel haar rokje open en voelde ze zich een prinsesje.
Nu is het avond geworden, de avondkoelte komt haar kamer binnen. Ze voelt hoe de kleine haartjes op haar armen rechtop gaan staan. In de verte kleurt de lucht roze, de zon is net onder. Ze voelt zich heerlijk licht en vrij. Dat is wat de lente doet met mensen. Ze kijkt naar haar nieuwe sandalen en haar tenen die omhoog krullen. Ze durven wel eens lachen met die wiptenen maar zij is er best wel tevreden mee. Loomheid overvalt haar. Ze gaapt en gaat op haar vensterbank zitten. Het wordt steeds donkerder en ze ziet de eerste sterren al fonkelen aan de hemel. Ze denkt aan het gesprek van de voorbije zaterdag en aan die ene ster zoveel jaren terug. Hoe bizar het ook is, het is een fantastisch verhaal en ze wil het zo graag geloven. Vaak fantaseert ze, en wil ze het allemaal zo graag geloven. Zoals ze vroeger altijd droomde van die ene perfecte jongen waarvan ze nu allang weet dat die niet bestaat; zo droomt ze nu vaak van die wereld waarvan ze ook weet dat die niet bestaat, …en toch. Wat heerlijk zou het zijn, als die gebroken jongen, die met bange ogen naar de mensen kijkt die hem hebben kapot gemaakt; als die er niet was. Als hij nog die zelfde jongen zou zijn van ervoor, die vol hoop en geloof naar de wereld keek, die hield van het leven en van de mensen, en die niet geloofde dat iemand hem ooit kwaad zou doen. Ze is zo cynisch geworden de laatste tijd, iedereen is het, je moet het zijn om niet teleurgesteld te worden. En dan droomt ze van een wereld waarin je naïef mag zijn, vol dromen en verwachtingen zonder bang te moeten zijn voor teleurstellingen. Dan droomt ze van mensen waarbij ze kan huilen, en die haar begrijpen, volledig. Dan droomt ze van een God waar ze met haar hele hart in gelooft, Die haar troost is, een zekerheid. Ze droomt van christenen die weten waarover ze praten, die ook in de praktijk zetten wat ze geloven. Christenen die geen kliekjes vormen, die openstaan voor niet christenen en bereid zijn dingen van hen te leren. Die niet neerkijken op mensen die niet leven zoals zij menen te weten dat het hoort. Christenen die zijn zoals Jezus was.
Ah, ze droomt teveel. En ze is pas negentien, en een jaar terug zat ze op de tandem en wapperden haar haren in de wind en droomde ze van wat om hoek komen mocht.
En dat doet ze nog steeds, gelukkig maar…