potverpuffeltjes

dat ze op mijn werk vragen of ik zwanger ben omdat ik eet voor twee
dat ze me troosten als ik zeg dat ik geen vriend heb met: V was ook laat en kijk hoe gelukkig ze is nu is waarop ik niet eens de tijd krijg om verontwaardigd te reageren dat ik helemaal niet laat ben dat ik nog piepjong ben en nog zeeën van tijd heb omdat ze al onmiddellijk vervolgen dat je ook zwanger kan worden tegenwoordig zonder een vriend te hebben als ik dat dan zo graag wil waarop ik de tijd niet krijg om te vertellen dat ik helemaal niet zwanger wil worden want ze vragen al of ik misschien voor de vrouwen ben dat ze dat niet erg zouden vinden dat je alles eens moet proberen in ‘t leven en dat ik zelfs dan ook zwanger kan raken dat ik me daar echt niet zo’n zorgen om moet maken van die kinderen en ook niet over die vriend dat er ook laatbloeiers moeten zijn en dat die meestal met de beste afkomen
potverpuffeltjes lieve mensen ik ben er 19
misschien wat minder eten in ‘t vervolg

Mijn kereltje

Het jongetje kijkt met een verwilderde blik zijn mama aan. Resten van tranen zijn te zien op zijn wangen, maar nu huilt hij niet meer. Zijn voetjes staan stevig uiteen en hij is vastberaden en zeker van zijn stuk. Zoals enkel jongetjes van 9 jaar dat kunnen. Alleen … is wat hij van plan is niet zo gewoon voor jongetjes van 9 jaar. Hij heeft een groot keukenmes in zijn handjes geklemd, en houdt het tegen zijn uitstekend buikje. -Ik ga da mes door mijnen buik steken mama-
Stop.
Dat jongetje. Dat is mijn kereltje. En ik wil u graag vertellen over mijn kereltje, dat mij kon ontroeren en zoveel vreugde schenken als niemand ooit eerder kon. In één week tijd.
Ik wil u vertellen over hoe hij was, bruisend van energie en enthousiast over alles. Bij alles wat gebeurde riep hij mij. Hij wilde me alles tonen, alles vertellen. Want kijk Sara, hij droeg wel 3 zware takken voor het kampvuur. En wat ben jij sterk, bijna zoals Pipi Langkous die haar paard kan optillen. Nog sterker dan Pipi Langkous? Over de dode mol die hij gevonden had. En hoe hij hem per sé aan mij wilde tonen, maar ook niet van de mol wilde wijken, dus moesten andere kinderen mij komen halen. Ik zei dat we de mol maar een naam moesten geven -Pol de mol- en we hebben hem samen begraven. “Daa-aag Pol de mol” En toen zei hij doodernstig, in zijn heerlijke kinderlijke onschuld met zijn zalig Gents accentje. “ ‘k hoop da Pol de mol in Jezus geloofd eeft en dawe em dus terug kunnen zien in den hemel!” Hij was niet zo rap als de andere kinderen met het invullen van zijn kampboekje of het opschrijven van de verzen. Maar samen lukte het ons. Woord voor woord, letter voor letter. En glunderen van trots als het gelukt was, en ik straalde al even hard. Mijn kereltje. ‘k Wil u vertellen over wat hij veel te ernstig zei toen we die berg opwandelden. Toen ik hem opzij trok omdat daar een auto kwam aangereden. “Ik zou mijn leven voor u geven ! Als dienen auto u zou willen doodrijden dan zou kik dervoor springen.” Hij besefte niet wat hij zei, maar meende het zo oprecht in zijn klein wereldje. Over hoe ik ontroerd was, en tegelijk besefte dat ik dit kereltje wilde meenemen naar huis en mijn hele leven beschermen zou tegen al het kwade van deze wereld. En dat ik dat niet kon.
Beste mensen, die ‘ouders’ van mijn kereltje genoemd worden en het geluk hebben zo’n prachtzoontje te hebben. Wees de naam -ouders- waardig, neem uw verantwoordelijkheid op en zorg dat nooit of te nimmer zulke meshistories mogen geschieden. En als ik u daarbij mag helpen heb ik nog een kleine tip: hou van uw zoon en toon hem dat, geef hem aandacht, moedig hem aan, geef hem af en toe een stevige pakkerd, … Ik kan u ten stelligste verzekeren dat het mes dan zal blijven liggen waar het hoort, in de keukenkast.

zomerom

een zomerom
verliefd te worden
Kom je?

En daarmee bedoel ik:
kom en prop me vol met liters vlinders en ander gedierte dat kriebelt en vliegt (het is alweer even geleden dat ik nog vloog) kom en haal mijn wereld ondersteboven trek die grond weg van onder mijn voeten alsjeblieft –en het belieft je dat weet ik- kom en til me op en zet me op mijn kop gooi me in de lucht ik wil zo graag kom en maak me zo smoor als ik nooit eerder was breng me in vervoering laat me zuchten –zucht- van genot kom en vermeng mijn zweet met dat van jou voer me dronken en val met je deur in mijn huis kom en zorgdatikoverloopnonstopoverloopvanliefdeenanderesentimenten en ook: plak die bloemen in mijn hart en versier mij versier me met slingerplanten wind die rond mijn lichaam zodat ik niet meer weg kan en wil kom en gooi mijn seizoenen door elkaar verander links in boven en onder in rechts kom en laat me zingen van de liefde laat me schreeuwen van jij en ik –dat zijn wij- kom en toon me jouw wereld ik zal aandachtig zijn verdrink me net niet geef juist voldoende zuurstof zodat ik kan overleven kom en kus me kus me en hou me vast en breng me die tonnen vlinders breng ze en laat me drinken gulzig omdat ik zo’n niet te lessen dorst heb kom en dans met me dans voor me ik kijk graag en snel want ik wacht
(vol ongeduld -dat fluister ik-) met mond en hart wijd opengesperd (ogen dicht) zit ik in hurk in het gras klaar om te springen

met een roodpaarse achtergrond

Ik was er altijd van overtuigd dat ik liever die gigantische bergtoppen had, die ik vaak vol energie beklom. Moeiteloos. Dat éne gevoel en ik was boven. Meer aanwezig dan ooit tevoren. Daarboven op die toppen was het altijd fantastisch, mn hoofd in de wolken, weg van de wereld die zich ver onder me bevond. Dat ik steevast na enige tijd naar beneden donderde en in enorme dalen zou terecht komen, nam ik er dan wel bij. De val was hoog en hard en ik had pijn. Zoveel pijn. Maar ik wist dat er weer toppen zouden komen, heerlijke toppen die de pijn en het verdriet ruimschoots zouden compenseren. Ik zat vaak veel te lang in die dalen en dacht er nooit meer uit te raken. Maar liever dat, dan over eindeloze vlakten te moeten wandelen. Vlakten zonder pijn; maar ook zo gewoon en eentonig dat het triestig zou zijn, en dat op een manier die ik nooit zou willen. Vlakten waarin niets intens beleefd kan worden, waar wolken en dromen niet bestaan en waar niemand dat beseft.
Altijd was ik blij iemand van uitersten te zijn. Liever dat, dan overal gematigd op te reageren en dus nooit in zo’n diepe smart terecht te komen. Maar dan ook nooit in zo’n reusachtige uitgelatenheid waarbij miljoenen vleugels in mij rond fladderden, waarbij ik mij honderd procent gaf en strooide met armen vol vlokjes liefde om me heen. Waarbij ik alles en iedereen aankon en zo optimaal genoot. Waarbij ik weer in vanalles kon gaan geloven, en dan wist ik het allemaal zo zeker.
Ik was er altijd van overtuigd, en ik was van plan te schrijven dat ik het nu even niet meer weet. Dat het vallen telkens zo’n enorme pijn doet waar ik maar niet aan wen, en dat het zo vreselijk eenzaam is in het dal. Maar ik was het gewoon even kwijt. Er komen wel weer toppen.