Er is het park bezaaid met bladeren in zoveel verschillende kleuren en er zijn de ijskoude wind en de ademwolkjes die zich vormen tijdens het joggen.
We lopen voorbij de man die er telkens op dezelfde plaats staat voor zich uit te staren, uren aan een stuk tegen zichzelf mompelend. De man wiens ogen vol intens verdriet zijn. Misschien is hij een geliefde verloren en komt hij hier om met haar te praten. Misschien wacht hij op haar, al jaren, en blijft hij hopen dat ze op een dag zijn tranen zal komen wissen, zijn koude handen vastnemen en warmblazen, haar arm over zijn schouder leggen en hem zachtjes naar huis zal voeren. Thuis waar ze het haardvuur zal aansteken en hem in een warm deken wikkelen. Dan zal ze bij hem komen liggen en fluisteren dat het haar zo vreselijk spijt, dat ze hem zo gemist heeft, en hem nooit meer zal verlaten. Samen zullen ze in elkaar genesteld genieten van een warme kop chocomelk en hij zal het nooit meer koud hebben omdat zij er is. Hij wacht tot ze zal komen om voor hem te zorgen, om alles goed te maken, om hem te genezen van die vreselijke ziekte genaamd eenzaamheid. Al jaren. Hij wacht en elke dag gaat het meer pijn doen, elke dag wordt hij een beetje meer verscheurd en elke dag wordt ondraaglijker. Hij wordt gek van verdriet als hij ’s avonds weer naar huis moet, alleen. Daar is het kil en is er niemand om hem vast te houden en toe te fluisteren dat het goed komt, er is niemand om hem in slaap te sussen en dus huilt hij zichzelf elke nacht in slaap en ’s ochtends verwarmt hij zich met de gedachte dat ze vandaag zal komen.
Er is de man die dik ingepakt op een bankje ligt te slapen omdat het ’s nachts te koud is daarvoor, met zijn halflege fles sterke drank dicht tegen zich aangedrukt omdat dit het enige is wat hij nog heeft, het enige wat hem troost biedt, de enige die hem begrijpt. Hij haat ons vrolijke joggers, en spuwt op deze verachtelijke wereld. De wereld die hem buitensluit, waar hij niet meetelt, niet eens bestaat. En hij is zo bang – ik ben zo bang mama – dat hij op een dag, als iedereen hem vergeten is, niet meer zal bestaan. Elke dag weet hij minder want de alcohol en de koude verdoven zijn geest. Maar hij is bang – mama? Omdat geen mens om hem geeft en hij beseft het elke dag een beetje meer en bestaat elke dag iets minder. Op een dag zal hij gewoon oplossen. De wind zal de laatste sporen uitwissen van wie hij ooit geweest is en niemand zal het merken en wij zullen vrolijk verder blijven joggen.
Het kind staat ons triomfantelijk aan te kijken als we komen aangelopen. Een rij hoopjes blaadjes versieren het pad. Het kind heeft een emmertje en een schopje vast en schept blaadjes in het emmertje, perst die samen en maakt zo kasteeltjes. Kasteeltjes van bladeren. Prachtig maar o zo broos. Oma lacht trots naar ons als we glimlachen om de creativiteit van dit kleine meisje. Maar oma moet niet lachen, oma moet waarschuwen. Het kind gelooft dat haar kasteeltjes eeuwig zijn, dat ze die geschapen heeft en dat ze geweldig is. Maar straks schopt iemand er gewoon los door. Of de wind veegt ze in één zucht weg. De bladeren zullen opvliegen, uiteen dwarrelen en willekeurig ergens neervallen. Er zal niets meer resten van wat het kind maakte met zoveel zorg, het zal lijken alsof het er nooit was en niemand zal er verdriet om hebben behalve het kind. Iemand moet haar waarschuwen, dat de wereld niet zo veilig en fijn is als die lijkt, en dat het zo gevaarlijk is te lachen en trots te zijn op iets wat zo snel weer stuk kan gaan. Dat ze je kapot zullen maken kleine meid, dat ze je kastelen in één enkele zucht zullen wegblazen alsof ze niets betekenden. Terwijl ze voor jou alles waren, ze waren je wereld, je eigen kleine veilige burchten waar je op vertrouwde.
Er zijn jongens en meisjes die rondhangen omdat het woensdagmiddag is. Ze moeten zich bewijzen, imponeren. Een meisje lacht luid en schril en speelt alles omdat ze weet dat naar haar gekeken wordt. Ze is trots en voelt zich machtig omdat ze mooi is en borsten heeft maar ze beseft niet hoe triest en zielig ze eigenlijk is. Hoe weinig ze maar betekent voor hem. Haar jongen die nu naar haar kijkt en knipoogt en ’s avonds zoete woorden in haar oor fluistert als zijn handen over haar lichaam glijden. Zij die achter haar hele façade gewoon wanhopig op zoek is naar een paar lieve jongensarmen om in te schuilen. Het ‘enige’ wat ze nodig heeft is een luisterend en begrijpend oor, iemand die onvoorwaardelijk van haar houdt, en die haar bevestigt. Onder al dat gepronk is ze zo vreselijk onzeker, en haar moeder hoort haar vaak huilen van ellende ’s avonds in bed, terwijl ze ’s ochtends weer klaar moet staan om schoonheidskoningin te gaan spelen. Lang zal het niet duren voor ze zal beseffen hoe het werkt, als ze die paar lieve jongensarmen zo graag wil, moet ze haar lichaam erbij geven. Terwijl hij haar nog veel te jonge lichaam streelt en betast, kan zij zich inbeelden dat hij echt van haar houdt en als hij haar heel even vasthoudt, maakt ze zichzelf wijs dat het een uren durende omhelzing was en dat hij haar maar niet wilde loslaten – terwijl hij nadat hij gekregen had wat hij wilde niet snel genoeg weg kon zijn.
De jongen voor wie ze dit alles doet ziet haar als speelgoed. Hij wil zich er mee amuseren, er zoveel mogelijk uit halen, om haar daarna weg te gooien. Later zal hij vast gaan beseffen wat hij gedaan heeft en hoe hij haar kapot maakte. Hij zal misschien ook gaan verlangen naar meer, naar geborgenheid en liefde, maar nu wil hij enkel dat lichaam, en wil hij pronken met het speeltje in zijn armen. Als ze huilt ergert hij zich en vraagt zich af waarom zo zo’n huilebalk geworden is terwijl ze in ‘t begin altijd zo lief lachte, en dat hij niets snapt van vrouwen. En hij zal zich herinneren dat daar gisteren een ander meisje zo lief naar hem lachte en dat wat afwisseling hem wel deugd zal doen.
Dat zag ik in het park, of dat dacht ik toch te zien.
Ik zou met exact dezelfde situaties ook hele ander mooie verhalen kunnen schrijven waarbij iedereen zucht en denkt wat mooi is het leven toch.
Maar dit is tragisch en tragiek is schoonheid, nog steeds.