ontwaakt !

als de hele wereld nu eens van me zou houden, en als iedereen rond me zou zitten en om me dat te vertellen:
Ik hou van je! Ik hou ook van je! Ik hou nog veel meer van je! Oh en ik dan ! Nee nee, míjn liefde voor jou is dieper dan de diepste zee! Éla, excuseer maar ik hou al het langst van haar!

ik zou daar liggen in mijn zetel en iedereen zou dingen naar mijn aandacht en ze zouden een lied voor me brengen: meerstemmig en met alle instrumenten ter wereld, muziek die me zou doen huiveren van genot

ze zouden mijn nagels vijlen en mijn benen masseren en me zo bloedstollend mooi maken dat ze nog meer van me zouden gaan houden: het perfecte kapsel, en oplossingen voor appelsienenvel
ik zou zo’n schone verschijning worden dat mensen een zonnebril (of zo’n eclipsbrilleke) zouden moeten dragen om mij te kunnen aanschouwen

men zou me koelte toewuiven en druiven en ander sappig fruit aanbieden (niet van die uitgedroogde appels die naar niets smaken) oh en van de lekkerste cocktails en milkshakes en iemand zou me honderden boeken voorlezen met een stem die nooit verveelt

en bij de minste traan zouden ze daar staan om die op te vangen en zorgvuldig te bewaren met de juiste zalfjes en pilletjes voor al mijn pijntjes en verdrietjes, met stiltes en de juiste woorden waar nodig en bij nachtmerries zou ik stevig vastgehouden worden, en ook talloze kusjes op mijn voorhoofd en wangen en neus voor het slapengaan…

… zou ik me dán nooit meer alleen voelen denk je?

Het is echt waar, ik heb het in mijn dromen zelf gezien

Hij zoekt koortsachtig zijn evenwicht. Zijn ene voet op de rugleuning van de stoel, de andere op de zitplaats, een frons op zijn gezicht. Hij doet het zo vaak, daar beneden, als alle mensen kijken. En hij lacht, zoals altijd wil hij vrolijk lijken. (en hij denkt ook te veel in rijm)

Die stoel staat wiebelend op een tafel en die tafel heeft hij samen met de stoel eigenhandig het dak opgesleurd. Het is een heldere nacht. Een stevige windhoos doet hem wankelen, maar hij lacht. Als hij valt dan lacht iedereen en huilt hij luid, waarna hij heel opzichtig zijn tranen van zijn gezicht veegt, opnieuw een glimlach tevoorschijn tovert en op zijn stoel klimt.

Hier is hij alleen, geen publiek. En hij reikt naar de sterren. Hij jaagt verloren dromen achterna. Dromen die andere losgelaten hebben. Zo’n geweldige dromen, het is zo’n zonde als mensen ze loslaten en vergeten. Soms ziet hij mensen lopen op straat, en plots staan ze stil, zuchten diep en daar gaat hun droom. Ze geloven het niet meer. De mooiste, grootste dromen gaan het vroegst de lucht in.

Hij vangt hun dromen in deze heldere nacht. Morgen schijnt de zon.

En hij lacht.