blootje

ik hou meer van zoenen dan van kussen
meer van blootje dan van naakt
meer van neger dan van zwarte
meer van ‘al wa daje zegt zije zelf’ dan van ‘f*cking bitch’
meer van sliep dan van onderbroek
meer van piemel dan van penis
meer van samsomenhert dan van het nieuws

ik hou ook meer van ‘ze is wat eerder vertrokken, maar je ziet haar snel terug’ dan van ‘ze is dood’

Spring naar beneden en sleur ons mee in je val. Snijd jezelf. (stop hier, wacht even en ga nu verder) Snijd jezelf aan glasscherven die overal in het luchtruim rondzweven. Verlies ledematen en lik je wonden.

Zie ons op bloempotten botsen en sleur ons verder mee omdat dat goed voor ons is. Kijk opzij, zie tranen van pijn en zing over de val. Zing ons een slaaplied en sussusssdatwewatvakermoestenliefhebben. Schreeuw tegen voorbijgangers dat we enkel en alleen onze harten volgen omdat dat het beste is. Scheur je kleren van je lichaam en bloed uit je borsten.

Zwaai nog even naar de bezorgde stemmen ver boven je en glimlach opzij naar ons. Wij die in ons broek gedaan hebben en nu vervuld van angst en afschuw operettes zingen om de tijd te doden. En zucht heel diep als je lichaam uiteindelijk naakt in de aarde ploft.

zeg maar Liesje

Sprookje – Jaap Fischer Tekst en muziek: Joop Visser

Een koning had eens vijf zonen en een prinses
zij nu had goudblonde lokken
en ogen als meren die niet konden jokken
en ze was de jongste van de zes
maar, deze prinses was huwbaar
vaak gingen de koning en zijn zonen vroeg op pad
en dan joegen ze de hele dag
terwijl zij thuis te dromen lag en wachtte op
ze wist niet wat
en deed ze een stap naar buiten
dan lagen er vreemde prinsen in het gras
vreemde prinsen te fluiten
die wisten allang hoe laat het was
de koning zei: ze kon krijgen wat ze bliefde
ze kon vrijen met lakeien
ja maar, zeiden de zoons, ja, maar dat is geen liefde

En toen kwamen er drie mannen aan de poort om over liefde te vertellen
en de eerste was een geleerde, en de tweede was een vreemde snoeshaan
en de derde was Hans

En de geleerde mocht beginnen:
liefde is minnen
en samenzijn
iets nieuws beginnen, mijn is dijn
warm van binnen
verlegenheid, samen in zee, geen ach, geen wee
maar hola nee, genegenheid
en liefde is niet houden van
je kan van zoveel vrouwen houwen
je kan met zoveel vrouwen trouwen
als je er wat in ziet
maar liefde is dat niet
je houdt van kip met appelmoes
en toen knikte de prinses, want ze hield ontzettend veel
van kip met appelmoes
en toen had de geleerde het over Amor en Caritas
en wat het verschil daartussen was
over Arabij, Eroos en Filia
over een diner voor twee met dansen na
en de prinses was stil en zo luisterde ze
en toen ze wat mocht vragen fluisterde ze
en zoenen
zoenen staat niet in Koenen, zei de geleerde
en ging
En toen mocht de vreemde snoeshaan
en die zei:
o, hoe bestaat het dat ik hou van een lelijke vrouw
zo lief, zo zacht en toch zo lelijk als de nacht
zelfs als ze lacht
o, hoe bestaat het dat ik hou van een lelijke vrouw
ik sluit mijn ogen en haar hand sluit in mijn hand
juist zo klein als zij moet zijn, precies zo fijn als zij moet zijn
als wijn die je zacht ondermijnt, overmant
en dan weet ik dat ik hou van een beeldschone vrouw
die zon verduistert, meer zingt dan fluistert
naar niemand luistert
o, dan weet ik dat ik hou van een beeldschone vrouw
maar als ze langs sjokt als een paard
een lelijk paard
de kop omlaag, de vormeloze dijen
die kinderen doet schreien en schichtig springt en jachtig verder jaagt
dan oog ik naar de vrouw waarvan ik hou
ze komt weerom, ik sluit mijn ogen
dat is dom
ik weet niet goed wat ik moet doen met deze vrouw
waarvan ik hou
En toen mocht Hans.
En Hans zei: Ja, ik weet het nog niet
maar, het moet een meisje zijn met
prachtige kleren en goudblonde lokken
met ogen als meren die niet kunnen jokken
een mond als van honing en dan weer scherp als een mes
en hopelijk is haar vader koning en zij dan prinses
maar
ze moet Liesje heten
En toen keek de prinses hem aan en zei:
ik heet Esmeralda
maar zeg maar Liesje

IJsland

De man staat met opgestroopte broek in het water. Hij draagt een groene regenjas die te groot is en wappert tegen zijn benen. Zand schuurt langs zijn voeten. Het is zo’n nacht waarin lucht én water inktzwart zien en je nauwelijks een onderscheid ziet. Hij speelt gitaar en zingt een lied voor haar. Zijn stem gaat meteen verloren in het gewoel van de zee, en enkele gitaarakkoorden drijven nog wat verder met de wind mee. We staan daar en we kijken. Omdat het al zo lang donker is in zijn hoofd begint hij eraan te wennen, en soms ziet hij haar. Dan lacht ze.

Op de top van de wereld staat hij met zijn gitaar en zingt een lied voor haar. Het sneeuwt en zijn haar en snor en baard zijn wit van sneeuw en ijs. Hij lijkt een hele oude man. Wij staan onderaan terwijl vieze regen langs ons gezicht loopt. We luisteren hoe hij zingt en kijken hoe enkel hij daar kon geraken. We zeggen dat het niet erg is en vanbinnen sterven we. We glimlachen naar elkaar en zeggen dat hij niet zal vallen, maar we houden onze handen voorzichtig open om hem te vangen. Omdat het al zo lang donker is in zijn hoofd is hij wat gewend aan de duisternis en soms kan hij haar zien. Ze lacht naar hem.

We vragen of hij ooit nog zal durven liefhebben. En we kijken allen naar elkaar en durven nooit meer lief te hebben. We rennen naar de eerste vreemde die voorbij wandelt en vragen of hij ons wil ontvoeren naar IJsland. Daar worden we gekust. We lachen en roepen tegen elke vreemde dat we hen liefhebben als ze snel weggaan.

Hij zit achterop een huifkar, zijn haren staan alle kanten uit omdat zijn hoed allang van zijn hoofd gewaaid is. Hij zingt een lied voor haar, en speelt op zijn gitaar.