’s Avonds ging hij op zijn knieën aan zijn bed zitten, zoals hij dat geleerd had toen hij klein was en hij bad: ‘Lieve Heer, weet U het misschien nog? Die keer toen ze eindelijk naar me toe kwam en mijn gezicht vasthield. Dat ze met haar duim mijn gezicht streelde. Dat we wandelden in het zwarte gat dat nacht heet en dat het leek alsof we de eeuwigheid binnenwandelden. Maar dan zonder al dat licht en met onze ogen stijf dichtgeknepen. Dat ik daarna nooit meer zo van iemand gehouden heb. Weet U het nog? Of ben ik echt de enige?
Mag dat als het U belieft nog één keer?’
En de dame met de snoepjes in haar handtas zucht diep en vraagt zich af wanneer ze eigenlijk de dame met de snoepjes in haar handtas geworden is.
Er is nog steeds zoveel te vertellen. Vooral als de avond valt (net zoals er ’s ochtends niets te zeggen is). Dus hij vertelt als het schemert. Hij vertelt haar alles waarvan hij weet dat ze zou hebben gelachen, gegild, gehuild, gezucht, gemopperd, gezoend, … dus dat is veel. Hij is altijd een goeie verteller geweest. Daarbij drinkt hij cognac wat van haar nooit mocht.
Het is wél mooi als alles samenvalt.
Ze staat op de dertiende verdieping van een blauw glazen gebouw en drukt haar voorhoofd tegen het raam. Ze vraagt zich af of en hoe ze hier ooit weggeraakt. Ze onderdrukt de neiging om met haar hoofd het hele raam aan diggelen te slaan. Dat zou gaan bloeden en ze kan niet zo goed tegen bloed. En dan zouden er vlekken op haar mantelpak komen en dat is het nu ook weer niet waard. Achter haar piept de lift. Ze haast zich naar binnen en haalt een koffie in de cafetaria, dat helpt ook.