Jij bent het die de onrust uit mijn leven joeg (- en door wie ik soms zo onrustig word).
Jij die de plooien glad streek ( – maar ook voor nieuwe plooien zorgde).
Jij gaf me geen reden meer voor verdriet (- maar door en met jou vloeiden ondertussen al heel wat tranen).
Jij gaf me zekerheid en bracht mijn nerveuze hart van toen tot bedaren (- en maakt me soms onzeker zonder dat je dat wil).

Wees niet verdrietig als ik soms iets anders lijk te willen. Wees niet bang als ik soms droom van beter, want dat betekent niet dat het nu niet goed is. Wees niet onzeker als ik vergeet hoe goed het is, hier, vandaag, met jou.

Jij bewijst elke dag weer hoe goed het is, en dat het niet nodig is. Jij, die de onrust uit mijn leven joeg en de plooien gladstreek.

Jij bent het die mij begint te zien. De eerste die zolang keek, zo graag keek.
Kijk maar. Het leven is goed
als jij me ziet.