Toen waren mijn dromen groot. Te groot soms waardoor ik hen enkel kon dromen en het najagen ervan voor een ander leven was bedoeld.
Toen lag ik wakker tijdens de nachten. Omdat ze altijd over iemand gingen die me van mijn slaap beroofde, die me deed schrijven, die me onrustig maakte en die nooit bleef.
Toen keek ik niet vooruit. Dat hoefde niet en ik vond het heerlijk. Ik dacht graag terug aan de helden die mijn paden hadden doorkruist en terugdenken was voldoende.

Ik mis het, de tijd dat ik nog schreef. Want alles is nu anders en het was onvermijdelijk.
Mijn dromen zijn kleiner, uitvoerbaar en worden één voor één realiteit.
Ik slaap, omdat iemand kwam waarvoor ik niet wakker moet liggen, want hij bleef.
Ik kijk vooruit, omdat dat moet. We moeten plannen, we moeten klein dromen, we moeten realiseren en het lukt ons aardig goed.

Ik mis het, en toch is dit goed, eigenlijk zelfs zoveel beter. Samen klein dromen, samen slapen (ik in de holte van zijn oksel), en samen plannen, dit is eigenlijk zoveel méér leven, dan het alleen maar dromen, alleen maar denken, alleen maar schrijven.

Toch mis ik het soms